Home Geschiedenis Over hout
Over hout E-mail
Het nu volgende stuk is afkomstig uit het omvattende naslagwerk van L. Zwiers genaamd Handboek der Burgerlijke Bouwkunde Houtconstructies uit 1907. Nog altijd raadpleeg ik dit lijvige boek als feedback op mijn eigen bevindingen. Berlage beschrijft hier naar mijn mening heel treffend en bezielend de vele kwaliteiten van hout.   
 
De beteekenis van het hout in de architectuur  
Van de twee belangrijkste bouwmaterialen, steen en hout, is het hout ongetwijfeld het oorspronkelijkste. En dat is het niet zoozeer omdat het in het algemeen gemakkelijker  was te verkrijgen, als wel door zijn eigenschappen, welke noodig zijn om het als bouwmateriaal te kunnen gebruiken.
Zijn taaiheid, zijn groote druk- en trekvastheid en eindelijk de gemakkelijke wijze waarop het kan worden bewerkt, vormen zeker een zoo gunstige som van eigenschappen, dat het geen verwondering kan wekken, dat de eerste menschen voor het bouwen van hunner woning alleen van dit materiaal gebruik maakten. De nadeelen, welke natuurlijk elk materiaal, dus ook het hout bezit, zooals de gemakkelijke uitzet- en inkrimpbaarheid en zijn geringe weerstand tegen weersinvloeden, wegen niet op tegen bovengenomede eigenschappen, omdat er bovendien vele middelen zijn om deze laatste tot een minimum te beperken. 
Toch zouden deze goede eigenschappen van slechts betrekkelijke waarde zijn, wanneer niet de natuurlijke gesteldheid van het hout als direct gevolg had de mogelijkheid van samenstelling van verschillende staafvormige gedeelten tot een onwrikbaar geheel. 
Want juist die mogelijkheid is voor de bouwkunst altijd van het hoogste belang geweest, omdat daardoor o.a. het geveldak kon worden geconstrueerd, waarvan de invloed te allen tijde zichtbaar bleef. 
Vormt misschien het eigenlijke opbouwen, d.i. dus het op elkaar stapelen van verschillende onderdeelen tot een massief geheel, zooals dat bij steen het geval is, het primaire beginsel der bouwkunst, toch bevat de eigenlijke staafconstructie juist door die mogelijkheid een hooger beginsel. 
In dat geval kan men toch eigenlijk eerst van construeeren spreken, omdat daarbij een veel ingewikkelder vraagstuk moet worden opgelost, dan bij het eenvoudig op elkaar stapelen het geval is. 
Het hout kan daarom de oerbouwstof worden genoemd, en de staafconstructie, de eigenlijke timmerkunst, die zich aan het meubel het oorspronkelijkst vertoont, de oerbouwkunst, reden waarom ook architect betekent aartstimmerman. 
Het spreekt dan ook vanzelf, dat de eigenlijke houtbouwkunst van grooten invloed is geweest op de geheele ontwikkeling der architectuur; dat zijn constructieve wijze zelfs vormgevend werd voor de daarna of daarmede zich ontwikkelende steenconstructie, en dat vooral zijn versieringsvormen daarop van invloed waren.  
Toch ging deze invloed natuurlijk slechts zoover, als het andere materiaal een eenigszins overeenkomstige wijze van samenstelling of versiering toeliet, omdat elk materiaal zijn bijzondere eigenschappen bezit, en dus slechts krachtens deze eigenschappen kon worden gebruikt. 
Zoo wijst bijv. de bouw der Grieksche tempels op oorspronkelijke, zij het dan ook veel minder groote constructies van hout, maar toch zullen de afstanden der houten stijlen, welke den horizontalen afsluitbalk, het architraaf droegen, veel grooter zijn geweest dan die der latere steenen zuilen, omdat het hout door zijn taaiheid een grooteren afstand kan overspannen dan dit met steen mogelijk is. 
En inderdaad ziet men dan ook bijv. aan Etruskische tempels dienovereenkomstig de steenen zuilen op afstanden staan gelijk aan die van hun prototype in hout, omdat over deze zuilen ook werkelijk een houten en geen steenen afsluitbalk lag. 
Het duidelijkst komt echter de invloed van de houtbouwkunst op die in steen, bij de versieringsvormen aan den dag, daar het o.a. niet moeilijk is om bij diezelfde tempels in de triglyphen, o.a. de balkenknoppen, en in de steenen platen met hun druipers, welke onder tegen de gootlijst hangen, dienovereenkomstige houten platen te zien, welke met pennen of nagels waren bevestigd.  
 
Om al die eigenschappen is het ten slotte ook begrijpelijk, dat het hout te allen tijde een zeer gewild materiaal is gebleven, en dat er dus naast steenen gebouwen altijd houten gebouwen zijn gemaakt, al is, door de verscherpte bepalingen tegen brand, dit aantal zeker in de latere jaren uiterst beperkt.  
Maar van vóór dien tijd getuigen nu nog de prachtigste voorbeelden van houtbouw voor de waarde, die men aan het materiaal toekende, en vooral in die landen, waar hout is overvloed was te vinden. 
En het is niet gebleven bij zeer eenvoudige constructies, maar juist door de mogelijkheid der staafconstructie kon met den zoogenaamde vakwerkbouw zelfs aan alle eischen van afmetingen worden voldaan. 
En ten slotte was de gemakkelijke bewerkbaarheid van het hout oorzaak, dat het te allen tijde vormgevend was, en aanleiding gaf tot een rijkdom en veelzijdigheid van versiering, die door geen enkel ander materiaal werden bereikt.   
Het hout laat zich behakken, besnijden, doorboren, draaien, kan alle mogelijke bewerkingen gemakkelijk ondergaan, en daarbij komt de zoo uiterst effectvolle beschildering, die zelfs wenselijk, ja noodzakelijk wordt daar, waar het hout tegen weersinvloeden moet worden beschut. 
Het zou te ver voeren, hier ter plaatse ook zelfs maar houtconstructies, ’t zij van architecturalen of meer in het bijzonder van ornamenteelen aard, te noemen, welke in de geschiedenis der architectuur van beteekenis zou zijn. Een enkele verwijzing naar Zwitserland, Noorwegen, en Midden- en Zuid-Duitschland met hun hoogst belangrijke houtarchitectuur is voldoende om duidelijk te maken, van hoeveel belang deze reeds voor de geheele ontwikkeling der latere bouwkunst is geweest. 
 
En men mag op goede gronden aannemen, en het hierboven medegedeelde betreffende de Griekschen tempel bevestigt dit, dat dit belang in de oudheid zeker niet minder groot zal zijn geweest. 
En ten slotte kan zeker, wat het zuiver technische betreft, in de latere staafconstructie van het ijzer een groot verband worden gezien tusschen deze en de daaraan voorafgegane constructies van hout. 
Deze korte inleiding moge volstaan om het groote belang van het hout als bouwmateriaal aan te toonen, waarvan de verschillende toepassingen in dit boek worden behandeld. 
 
Dr. H.P. Berlage; Amsterdam, augustus 1920